Ademtaal. Hoe zit dat met de bewuste en de onbewuste adem

Centraal in de ademleer van Cornelis Veening en Ilse Middendorf is het onderscheid tussen de bewuste adem en onbewuste adem. Wat is het verschil?

 

De adem heeft bij alle levende wezens zijn centrum in de hersenstam. De ademhaling maakt daarmee op de eerste plaats deel uit van het autonome zenuwstelsel, net als bijvoorbeeld de hartslag en de stofwisseling. Lichaamsprocessen die aangestuurd wordt vanuit de hersenstam kunnen wij niet met de wil sturen. De ademhaling faciliteert deze processen door zuurstof via de bloedbaan naar de cellen te brengen. Hoe dit gaat onttrekt zich aan ons bewustzijn, is onbewust. Het was de Nederlandse zanger Cornelis Veening, die rond 1930, geïnspireerd door de ideeën van C.G. Jung en het taoïsme een weg vond om de werking van deze onbewuste adem te ervaren. Hij noemde de gang van de zuurstof door de bloedbaan de 'innere Atem'. Zijn leerlinge Ilse Middendorf nam dit begrip van hem over en borduurde er op voort door de adem zoals wij die tot ons nemen via het ademhalingsapparaat de 'aussere Atem' te noemen. 'Innere' en 'aussere Atem' zijn in de Nederlandse vertaling van Middendorfs boek “De Ervaarbare Adem” vertaald als 'innerlijke'   en 'uiterlijke' adem. Ik ben niet gelukkig met deze vertaling, want ze suggereert een tegenstelling en een waardeoordeel. Door Veening en Middendorf zijn de begrippen op de eerste plaats geografisch bedoeld: de 'innere' adem dringt door tot de kern van het lichaam, de 'aussere' blijft meer aan de periferie. Ilse Middendorf noemt de 'aussere' adem ook wel de perifere adem.

 

Die perifere ademhaling, gefaciliteerd door het ademhalingsapparaat kunnen wij beïnvloeden. Ik kan mijn adem een paar tellen inhouden bijvoorbeeld, of mijn uitadem heel langzaam en gedoseerd uitblazen. In die situaties proberen wij het ademhalingsapparaat te beïnvloeden of controleren. Alleen de mens is hiertoe in staat en maakt hier ook veel gebruik van. We houden onze adem in als het spannend wordt. Alleen zijn we ons daar dan weer niet van bewust.

Dus – meestal onbewust – maken we gebruik van de mogelijkheid om de 'perifere' adem te sturen.

Veening en Middendorf waren overtuigd dat dit reguleren van de  perifere adem de zuurstofvoorziening naar de cellen  –  de 'innere' adem – en daarmee de vegetatieve processen verstoort. Maar dat niet alleen. Ook lichamelijke en psychische gezondheid worden belemmerd.

In de ademleer van Veening en Middendorf is ademen meer dan een fysiologische functie.

Ik spreek over 'mijn adem, ademen, de inadem, de uitadem'. Ik word daar nogal eens op gecorrigeerd: 'het is toch in goed Nederlands de ademhaling, de inademing, de uitademing'.

Veening en Middendorf hadden het altijd heel doelbewust over de inadem en de uitadem. Zij wilden daarmee aangeven dat adem meer is dan lucht halen. Ademhaling benoemt het anatomische/fysiologische proces. Met het gebruik van het woord adem geven zij aan dat er  bij de ademhaling naast het anatomisch/fysiologische ook sprake is van een spirituele en zielencomponent. In de adem zoeken zij naar de verbinding tussen lichaam, geest en ziel en menen die te vinden in de celadem.

Ademervaringen zijn in taal moeilijk te vatten, maar in de kunstenares Dineke Groenhof Blauw heb ik een partner gevonden die de wetmatigheden van de adem in kalligrafische klankschriften weet te verbeelden.